Agro-bosbouw

De Engelstalige term is bekender: agro-forrestry. Bosbouw in combinatie met landbouw. De teelt van bomen met landbouw tussen de stammen. Een boomgaard met varkens en schapen en een moestuin. Oliepalm plantages met de teelt van sojabonen, pinda’s, gember, geelwortel of andere eenjarige gewassen tussen de opgroeiend palmbomen. Omgekeerd gebeurt ook: vruchtdragende bomen op akkers en in moestuinen. Het komt neer op de verdeling van licht en water, zon en aarde.

Wat is er zo bijzonder – om niet te spreken van circulair – aan die combinaties? In het kort: optimaal gebruik van schaarse landbouwgrond, vastleggen van CO2, goed verdienmodel. In gebieden met veel zon helpt het om lage gewassen in de halfschaduw te telen. Bijvoorbeeld kool en aardappels onder pergola’s met druiven in Portugal. Twee gewassen op dezelfde vierkante meters. Met bomen wordt ingespeeld op schaars wordend – dus duurder – hout; zoals teak- en meranti plantages.

Onder (half)volwassen bomen is de grondtemperatuur bij hittegolven zeker 10˚ lager. Indien de boomkronen gesloten zijn zelfs meer, waardoor er minder vocht uit de grond verdampt. Het is zaak om bomen te kiezen die bij droogte de verdamping via huidmondjes op hun bladeren stoppen.

In gematigde klimaten is het zaak goed te kijken naar de lichtval op de bodem onder plantages, wanneer daar land- en tuinbouw wordt bedreven. Halfschaduw gewassen hebben daar de voorkeur, zoals aardbeien en veel bessensoorten, die eigenlijk bosplanten zijn. Of vaste planten voor snijbloemen. Zelfs aardappels en pompoenen.

In Nederland zijn mogelijkheden te over voor agro-bosbouw. Zaak is om de juiste combinaties te vinden van bomen en gewassen. Verticaal groeiende soorten als es en els (die veel licht doorlaten, zeker als je de stammen hoog opsnoeit) leveren al na 15 jaar bruikbaar hout. Bij de juiste manier van oogsten lopen de stobben opnieuw uit en is perma-bosbouw mogelijk. Dat heette vroeger hakhout.